Wat is TSCTubereuze Sclerose Complex uitgelegd

TSC staat voor Tubereuze Sclerose Complex. De ziekte is ook bekend onder de naam ‘ziekte van Bourneville’. Het is een genetische aandoening die naar schatting voorkomt bij minstens 1 op 10 000 mensen. Dat zijn ongeveer 1000 mensen in België en 2 miljoen mensen wereldwijd. De exacte prevalentie- en incidentiecijfers zijn moeilijk te schatten omdat bij patiënten met milde symptomen niet altijd een diagnose wordt gesteld.

TSC wordt gekenmerkt door de ontwikkeling van goedaardige tumoren in verschillende organen, vooral in de hersenen, de nieren en op de huid, maar ook in de ogen, het hart en de longen. De aantasting van de hersenen heeft de grootste impact op de kwaliteit van het dagelijks leven. Vaak gaat TSC gepaard met epilepsie, ontwikkelingsachterstand, autisme en andere neuro-psychiatrische problemen.

De manier waarop TSC mensen treft is heel divers. Sommigen zijn zwaar getroffen en blijven levenslang gedeeltelijk of geheel hulpbehoevend, terwijl anderen weinig symptomen hebben en een vrij normaal leven leiden. Bij iedereen met TSC vraagt de ziekte om levenslange opvolging. Bepaalde letsels ontwikkelen zich immers pas na de kindertijd en de ziekte kan een leven lang evolueren.

Oorzaak

TSC wordt veroorzaakt door een afwijking in de genen TSC1 (gelegen op chromosoom 9) of TSC2 (gelegen op chromosoom 16). Deze twee genen bevatten de informatie die we nodig hebben voor de aanmaak van twee eiwitten, die respectievelijk hamartine en tuberine worden genoemd. Bij twee derde van de mensen met TSC is de afwijking (mutatie) op het TSC1 of TSC2 gen spontaan ontstaan. Dat wil zeggen dat zij de eerste met TSC zijn in hun familie. TSC is echter een dominant erfelijke aandoening: elke ouder die de ziekte zelf heeft, heeft bij een nieuwe zwangerschap 50% kans om de aandoening aan zijn/haar kind door te geven. Binnen éénzelfde familie kan de verschijningsvorm erg verschillend zijn. TSC komt zowel bij jongens als bij meisjes voor.

Symptomen

  • Hersenen +

    • Vaak komen (kleine) gezwellen voor in de hersenen (corticale en subcorticale tubers, subependymale ependymomen (SEN) of subependymale reuscelastrocytomen (SEGA)). Het gaat om goedaardige tumoren die afhankelijk van hun ligging en grootte neurologische problemen kunnen veroorzaken.
    • Naar schatting 75% van de mensen met TSC ontwikkelt epilepsie, maar het verloop en de ernst ervan kunnen sterk verschillen.
    • De epilepsie kan al op heel jonge leeftijd, tijdens de eerste levensmaanden, voorkomen, bijvoorbeeld als flexie-spasmen of als salaamkrampen. Vaak is ze moeilijk te behandelen. In dat geval kan ze tot mentale achterstand leiden.
    • Hoewel veel mensen met TSC geen verstandelijke beperking hebben, komt een lichte tot ernstige vorm van verstandelijke handicap vaak voor. Dat kan zich uiten in een tragere ontwikkeling van taal of spraak, maar ook motoriek. Verder gaat TSC niet zelden gepaard met een vorm van ADHD, autisme en/of diverse andere neuro-psychiatrische aandoeningen.
  • Huidaandoeningen +

    • Bij TSC komen vaak bleke, pigmentloze vlekken voor op de huid (hypomelanotische vlekken). Deze zijn vaak ovaal of in de vorm van een (esdoorn)blad. Ziet men deze bij een baby met salaamkrampen, dan is de diagnose zo goed als zeker.
    • Een groot deel van de patiënten met TSC ontwikkelt een bobbelachtige roodheid van de huid in het gelaat. Dit verschijnt vaak pas na de leeftijd van 5 jaar. Deze huidafwijking lijkt van afstand wel wat op acné, maar bij beter kijken zijn er geen puistjes, maar wel heel kleine gezwelletjes (faciale angiofibromen) te zien.
    • Soms komt een sinaasappel-achtige structuur van de huid in de flank of lage rug voor (Shagreen patch), of een litteken-achtig letsel t.h.v. het voorhoofd (fibreuze cefalische placque).
    • Voorts kunnen gesteelde, goedaardige kleine gezwellen langs de nagels (unguale fibromen) of op het tandvlees ontwikkelen. Ter hoogte van de tanden ziet men soms kleine putjes (dental pits).
  • Nieraandoeningen +

    • 55-75% van de patiënten met TSC krijgt in de loop van zijn leven te maken met goedaardige gezwellen in de nieren. Men noemt deze letsels met een moeilijk woord angiomyolipomen. Ze bestaan uit bloedvaten, spier- en vetweefsel. Deze gezwellen kunnen problemen veroorzaken wanneer de abdormale bloedvaten bloeden en wanneer ze door overmatige groei het normale nierweefsel te verdringen. Operatief ingrijpen (wegnemen van een deel van of heel de nier) wordt zo veel mogelijk vermeden om het normale nierweefsel te sparen.
    • Daarnaast kunnen er zich ook goedaardige cysten (zakjes gevuld met vocht) ontwikkelen in de nieren, meestal leidt dit niet tot problemen.
    • Wanneer er zich erg veel en grote cysten ontwikkelen (polycystische nieren) kan dit passen in het zeldzame geval van 2 à 3% TSC patiënten die naast een mutatie in het TSC-2 gen ook een mutatie in het nabijgelegen PKD1 gen hebben.
  • Longen +

    • Bij 25-40 % van de vrouwelijke patiënten met TSC komt LAM voor. Dit staat voor lymfangioleiomyomatose. Bij LAM verandert de structuur van het longweefsel (honingraat-long) door omvorming tot cysten. Bij mannen met TSC komt LAM nagenoeg niet voor.
  • Overige +

    • Ter hoogte van de ogen kunnen ook kleine gezwelletjes voorkomen (retinale hamartomen), maar deze zorgen enkel voor visusproblemen indien ze zich bevinden ter hoogte van de oogzenuw.
    • Bij 50-70% van de kinderen met TSC komen er tumoren voor in het hart (cardiaal rhabdomyoom), vooral reeds tijdens de zwangerschap. Deze letsels leiden vaak tot een prenatale diagnose van TSC. Slechts in zeldzame gevallen geven deze gezwellen aanleiding tot problemen, en ze verdwijnen meestal spontaan in de loop van de eerste levensjaren.
    • Er kunnen ook goedaardige gezwellen in andere organen (lever, bijnieren, pancreas, eierstokken…) maar deze letsels geven slechts heel zelden aanleiding tot problemen.
  • 1

Diagnose

De meest zekere manier om de diagnose van TSC te stellen is genetische analyse van de TSC genen. Daarnaast worden de ziekteverschijnselen van TSC onderverdeeld in ‘majeure’ kenmerken (bv. de gezwellen in de hersenen, de angiomyolipomen in de nieren, de typische huiduitslag) en ‘mineure’ kenmerken (bv. de putjes in het tandglazuur). Bij aanwezigheid van twee majeure of één majeur en twee mineure criteria kan de diagnose worden gesteld. De hersenen en de nieren kunnen in beeld worden gebracht met een CT-scan of NMR-scan.

Behandeling

De behandeling van TSC bestaat voorlopig vooral uit symptoombestrijding, zoals bv. behandeling van de epilepsie. Regelmatig wordt beeldvorming uitgevoerd zodat tijdig kan worden ingegrepen als een hersentumor gevaarlijk wordt of de niertumoren te groot worden. Heelkundige ingrepen waren in het verleden in zo’n geval de aangewezen behandelmethode.

De voorbije jaren is echter duidelijk geworden dat mTOR inhibitoren een erg beloftevolle, niet-chirurgische behandelmethode zijn. TSC wordt immers gekenmerkt door een verhoogde activiteit van de zogenaamde mTOR signaalweg.
mTOR inhibitoren, in de vorm van oraal in te nemen geneesmiddelen, grijpen in op deze signaalweg en normaliseren de activiteit.

De European Medicine Agency (EMA) in Europa keurde dit product goed voor de behandeling van SEGA’s bij TSC (subependymale reuscelastrocytomen, een specifiek type hersentumor). De werkzaamheid van mTOR inhibitoren werd ook aangetoond voor de behandeling van LAM bij volwassen TSC patiënten en aangetoond en goedgekeurd voor de behandeling van renale angiomyolipomen. In de rand van deze studies werd ook een gunstig effect waargenomen op de frequentie van epileptische aanvallen, en op de faciale angiofibromen.

De werkzaamheid voor TSC-geassocieerde epilepsie bij kinderen en volwassenen wordt momenteel verder onderzocht in de EXIST-3 studie. De angiofibromen op het gelaat kunnen behandeld worden met zalf die everolimus of sirolimus bevat. In het bijzonder bij prenataal of vroeg gediagnosticeerde TSC patiënten bieden behandelingen met onder andere mTOR inhibitoren interessante vooruitzichten. Men zou door vroeg te starten met medicamenteuze behandelingen tumorgroei in een zo vroeg mogelijk stadium laten stagneren en de genese van epilepsie sterk verminderen. Echter, meer onderzoek is nodig voor dergelijke medicatie op grote schaal kan gebruikt worden voor deze vroege behandeling van TSC.

Lees meer over het onderzoek naar TSC!

Naam

Tubereuze Sclerose Complex dankt het eerste deel van haar naam aan de tubers, de (goedaardige) gezwellen die zich aan de oppervlakte van de hersenen bevinden.

Vaak zijn de tubers verkalkt of, in medische termen ‘gescleroseerd’, wat de tweede letter van de naam TSC verklaart.

Voor wat betreft de derde letter: TSC is een aandoening met gevolgen voor meerdere organen en met afwijkingen die zeer gevarieerd zijn. Om die reden is “Complex” aan de oude naam “Tubereuze Sclerose” toegevoegd.

Nuttige informatie

Informatie voor de huisarts, een nuttige brochure om mee te nemen naar je huisarts, want de kans is groot dat hij nog geen eerdere ervaring heeft met TSC! Met dank aan de STSN.

In 2016-2017 verschenen twee opeenvolgende artikels over management en behandeling van TSC in het tijdschrift NEURON (vol. 21 - nr. 9 en nr. 10). Ze werden geschreven door prof.dr. Liesbeth De Waele (UZ Leuven) en prof.dr. Anna Jansen (UZ Brussel) op basis van de Consensus Guidelines waarover hieronder meer informatie. 

De consensus guidelines vormen een richtlijn voor artsen om volgens de recentste wetenschappelijke kennis TSC optimaal te diagnosticeren, te monitoren en te behandelen.
De richtlijn verscheen voor het eerst in 1998, toen er nog veel minder bekend was over de ziekte, en werden het laatste ge-update in 2012 (gepubliceerd in 2013).

Verwijs uw behandelend arts naar:

Filmpjes

be-TSC maakt dankbaar gebruik van het aanbod aan filmpjes van onze zusterorganisaties in Nederland, de Stichting Tubereuze Sclerose Nederland (STSN), en in de Verenigde Staten, de TS Alliance. Op ons eigen be-TSC YouTube-kanaal vindt je aan TSC gerelateerde nieuwsitems en internationale campagnefilmpjes. be-TSC heeft de ambitie ook eigen informatieve filmpjes te maken, die u hier zal terug kunnen vinden.